Leesfragment: Onze kinderen

23 januari 2021 , door Renée van Marissing
|

26 januari verschijnt Renée van Marissings nieuwe roman Onze kinderen. Lees nu een fragment op Athenaeum.nl.

Wanneer Mia’s vader overlijdt, moet ze samen met haar zus Iris zijn huis in Friesland leegruimen. Door de tijd die ze in zijn huis doorbrengt, komen jeugdherinneringen bovendrijven en leert ze andere kanten van haar vader, een notoire drinker, kennen die ze niet eerder zag. Iris blijkt zich bepaalde gebeurtenissen heel anders te herinneren dan Mia en hoeft niets uit het huis te behouden, maar wil daarentegen zo snel mogelijk verder met haar leven.

Mia staat op het punt moeder te worden, haar vriendin Sally is zwanger van hun eerste kind. De keuze wie er zwanger zou worden was makkelijk voor Mia, want ze voelt geen behoefte haar DNA door te geven. Maar hoeveel zeggen genen, hoe werken verhalen door in een opvoeding en hoeveel ruimte nemen trauma’s in in een lichaam?

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Parttime astronaut.

 

1

De buik van mijn vader is zachter dan die van Sally, maar in omvang zijn ze elkaars gelijke. Als ik mijn vader omhels, voel ik zijn buik. Het is een prettig gevoel, hij heeft hem al zolang ik me kan herinneren. Toen ik een jaar of vijf, zes was, zaten mijn hoofd en zijn buik op dezelfde hoogte. Als ik dan mijn armen om hem heen sloeg, lukte het niet mijn handen elkaar te laten raken en als ik mijn oor tegen zijn overhemd drukte, kon ik soms de geluiden binnen in hem horen.
Sinds een jaar of twintig scheelt het nog maar een paar centimeter in lengte tussen hem en mij.
Als je een ei op je hoofd zet, zijn we even lang, zegt hij.
Ze zitten naast elkaar op de bank, mijn vader en Sally. Twee blote buiken, ze hebben hun kleren omhooggetrokken. Ze lachen, naar elkaar, naar mij, naar de telefoon waarmee ik een foto maak. `

Word je weer opa, zeg ik.
Mijn vader kijkt op van zijn menukaart.
Ook dat nog, zegt hij.
We eten bij Van Puffelen op de Prinsengracht. Sally blijft thuis, ze is moe. Mijn vader bestelt een biefstuk, die hij in kleine stukjes snijdt, omdat hij niet goed slikt. Hij kan niet meer praten en eten tegelijk, in de verhalen die hij vertelt zitten lange kauwpauzes. Ik let erop dat ik de stiltes niet opvul met een eigen anekdote of een reactie op het verhaal waaraan hij bezig is. Ik weet dat hij er niet van houdt onderbroken te worden, ook al onderbreekt hij zichzelf met hapjes biefstuk.
Hoe is het met Amsterdam? vraagt hij.
Druk, zeg ik.
Ik ben blij dat ik hier niet meer woon, zegt hij.
Jaja.
Ik meen het, Mia.
Gelukkig maar dan, zeg ik. Hoe is het in Schubbekutteveen?
Hij moet lachen en verslikt zich. Hij loopt naar het toilet, waar hij minutenlang blijft. Als hij terugkomt, is zijn hoofd paars en hij zweet.
Gaat het? vraag ik.
Hij knikt, schuift het bord van zich af en steekt zijn hand in de lucht om nog een biertje te bestellen.

Sally ligt op haar rug, tegen haar zin. Ze slaapt al haar hele leven op haar buik, maar sinds een paar maanden zit er iemand in de weg. Ze wordt wakker als ik op de rand van het bed kom zitten.
Hoe was het nog? vraagt ze.
Gezellig.
Lekker gegeten?
Ja.
Wat heb jij nog gedaan? vraag ik.
Vrijwel onverstaanbaar mompelt ze: Film.
Welke?
Ik krijg geen antwoord, ze is alweer in slaap gevallen. Ik overweeg mijn vader te bellen, om te vragen of hij goed is thuisgekomen, om te zeggen dat ik het een fijne avond heb gevonden. Maar ik bel niet, het komt morgen wel, of binnenkort.

 

2

De uitvaartondernemer had gezegd dat er twee opties zijn om de dienst te beëindigen: we konden opstaan, langs de kist lopen en dan de zaal verlaten, of er zouden schermen voor de kist schuiven en pas daarna zouden we opstaan en direct de zaal uit gaan. Hij raadde het laatste aan, omdat het bij de eerste optie psychologisch kan voelen alsof je door weg te lopen en de kist achter je te laten de overledene in de steek laat, omdat je actief van diegene wegloopt. Bij de tweede optie is het de overledene die “wegloopt”. Zijn vingers werden aanhalingstekens ver van zijn gezicht, alsof hij konijnenoren achter de hoofden van twee klasgenoten maakte op een klassenfoto. We kozen voor de laatste optie.
Vanuit de rouwauto zie ik hoe een medewerker van het uitvaartcentrum, een andere dan de konijnenman, zwarte vlaggetjes uitdeelt aan de bestuurders van de auto’s die meerijden in de stoet. Het zijn er maar drie, de meeste mensen rijden direct naar de begraafplaats.
Tijdens de route is er één fietser die afstapt.
In de familiekamer zijn we stil. Iris schenkt water in voor iedereen. Ik glimlach naar mijn vaders zus, tante Marja. Het is jaren geleden dat ik haar voor het laatst heb gezien. Naast haar zitten oom Kees, de broer van mijn vader, en zijn vrouw Wieneke, die ik nog langer niet heb gezien. Wieneke kijkt naar haar pumps, ze draait haar linkervoet langzaam rond. Marja begint zacht met Elsie, mijn moeder, te praten. Anne en Jacob wiebelen op hun stoelen. Als ik zijn blik vang, knipoog ik naar Jacob, hij knipoogt terug. Ik wenk hem. Hij laat zich van zijn stoel glijden en loopt naar me toe.
Hoe gaat het? vraag ik.
Goed, zegt hij. Ligt opa daarin? Hij kijkt naar de kist die rechts in de ruimte staat. Van mij had het niet gehoeven, die kist bij ons in de ruimte.
Ja.
Mag ik kijken?
Dat kan niet, het deksel zit er al op.
Kunnen we dat er niet af halen? vraagt hij.
Nee, het zit vast met schroeven.
Waarom? Opa kan er toch niet meer uit.
Nou, pas maar op, zegt Kees. Wieneke schudt haar hoofd.
Ik denk zodat het deksel er niet af kan vallen, soms lopen mensen nog een stukje met de kist, zeg ik tegen Jacob.
Echt? Gaan wij ook lopen met de kist? vraagt hij. Het lijkt hem wel wat.
Nee, wij niet, zeg ik.
Waarom niet?
Het is heel zwaar, zeg ik. Ik weet niets beters te verzinnen. Jacob lijkt er genoegen mee te nemen. Zijn zusje roept hem en hij loopt terug naar zijn stoel. Ik leg mijn hoofd tegen Sally’s schouder, ze pakt mijn hand en fluistert: Gaat het?

[...]

 

Copyright © 2021 Renée van Marissing

pro-mbooks1 : athenaeum