Leesfragment: Exces

01 februari 2022 , door Persis Bekkering
|

Persis Bekkering is met Exces genomineerd voor de BNG Bank Literatuurprijs 2021. Tijd voor een fragment!

Na een instabiele jeugd die haar langs een rijtje dubieuze vaderfiguren voert, staat danseres Nim op het punt volwassen te worden. Ze heeft de tijd mee: de jaren tachtig zijn bijna voorbij, de economie trekt aan, alles wordt nu alleen nog maar beter. Wanneer de laatste vader sterft, stort Nim zich in een nieuwe jeugdcultuur die massa's mensen dansend in extase bij elkaar brengt. Een uitbundig leven langs de epicentra van de westerse cultuur volgt, met nachten zonder slaap en een eindeloze stroom geliefden. Toch heeft Nim het gevoel niet vooruit te komen. Want waarom voltrekt zich steeds dezelfde ramp? Waarom lijkt de tijd zich alleen maar te herhalen?

Exces is een vertelling met het repetitieve ritme van techno. Een even uitdagende als melancholische roman over het afscheid van de toekomst in een heden dat permanent in crisis is, en een ode aan de ravebeweging, als laatste echo van de utopieën van de twintigste eeuw.

Persis Bekkering (1987) is literatuurcriticus voor NRC Handelsblad en schrijft columns, proza en essays voor onder andere De Gids, Mister Motley en De Nederlandse Boekengids. In 2018 debuteerde ze met de roman Een heldenleven (shortlist ANV Debutantenprijs).

N.B. Lees op Athenaeum.nl een fragment uit Een heldenleven.

 

1 Geen alternatief

Amsterdam, 1988

Omhuld door een traag opstijgende wolk sigarettenrook speurt Schöne naar wijlen zijn vrouw. Transparante, slordig aangebrachte vlakken schuiven over elkaar heen, tot er iets van diepte ontstaat. Schönes mond trekt zich om het Vogue-stompje tot een dunne streep. Haar figuur was inderdaad nogal expressionistisch, maar toch ook weer niet zo vormloos. Bovenaan, tussen de schaduwen die naar haar gezicht tasten, de ogen – onmiskenbaar de hare. Wanneer ze glimlachte verdwenen de irissen tussen dikke rijen wimpers, een flonkering achterlatend. Ze had dan iets van een stripfiguur, zo ontwapenend dat zelfs een blok graniet de schouders zou laten zakken. Schöne doet van schrik een stap achteruit en draait zijn rug naar het doek.
Zo, De Zwart, daar ben je nog wel even zoet mee, zegt hij.
De Zwart rommelt in de tegenoverliggende hoek van zijn gigantische atelier met wat penselen. Een bakelieten ventilator wappert hem een soort van koelte toe. De lucht ruikt droog. Niet naar verf. Uit zijn mond puilt ook iets, iets vuigers. Een sjekkie. Goedkoop en excentriek, zo zien zijn klanten hem het liefst.
Een artistiek proces laat zich niet haasten, antwoordt de schilder gehaast. Hij veegt met de mouwen van zijn blauwe overall zijn voorhoofd af. Ik dacht dat u, van alle mensen, daar wel iets van zou begrijpen.
Hoe vaak moet hij dit niet herhalen? Als het gaat om de jacht of om het strikken van hun dubbele windsors hebben zijn klanten alle tijd van de wereld, maar kunstenaars moeten hen van kunstwerken bedienen als van kroketten uit de muur van de febo. Het gesprek verloopt iedere keer hetzelfde. Nu volgt er steevast een vergelijking met een andere – buitenlandse – artiest, zodat duidelijk weze dat de klant zijn abc’tje kent.
Maar blijft het zo rommelig, dringt Schöne aan. Zou je haar niet met meer precieze, fijnere stroken willen suggereren?
Komt-ie, denkt De Zwart.
Of heb je een Francis Bacon-fase?
De Zwart hoort aan het kraken van de vloer, die alleen op bepaalde plekken kreunt, dat Schöne zijn andere doeken aan het bekijken is. Hij maakt van de pauze gebruik om in de groene multomap waarin hij de dossiers van zijn klanten bewaart af te kijken hoe Schones vrouw er ook alweer uitzag. Korte, dikke vingers die schoffelden en snoeiden. Een warme glimlach, een warme vrouw. Die ogen, die heeft hij goed getroffen. Haar zachte hals, de huid al een beetje slap, gaat nog moeilijk worden. Hij denkt even aan de zachte hals van Haar, van de Vrouw Die Alle Categorieen Doet Versplinteren. De Vrouw Die, sinds Zij in zijn leven is verschenen, het hem onmogelijk maakt om nog iets of iemand anders te schilderen. Alles is inadequaat. Inadequaat.
Een vrouw laat zich niet eenvoudig vangen, zegt hij. Een man is simpel, transparant, gekend tot in zijn oudste dromen en de miniemste microbewegingen van zijn mondspier. Een man vang je in een oogopslag. Maar de vrouw. Achter haar blik: half licht en diepe schaduwen, zoals die kronkelige grotten waar je met een kaars naar binnen gaat, omhoog. en omlaagkijkend, zonder te weten waar je je voeten neerzet.
Schone lacht. Virginia Woolf? Meneer is een feminist! Ik ben geen seksist, maar de kronkelige grotten van mijn eigen vrouw waren niet zo diep, hoor. Vrouwen zijn raadselachtig, behalve die van mij. Zeg ik even als mannen onder elkaar. Toen de nevel achter Fleurettes fonkelblik begon op te trekken zag ik niets. Geen gedachten, geen expressie, geen verlangens van zichzelf. Niets oorspronkelijks. Niets!
De Zwarts sjekkie valt uit zijn mond. Met grove bewegingen veegt hij de as die op zijn opengeslagen multomap is gevallen bij elkaar. Mevrouw Schöne kijkt hem spottend aan.
Nu trekt Schöne een bescheiden doek tussen een paar grote vandaan en loopt ermee naar het raam. De Zwart kijkt op zijn horloge. Die man moet verdwijnen.
Schöne maakt een raar geluidje. Deze jongedame daarentegen, zegt hij, haar kronkelige grotten zijn vast wijdvertakt, gevaarlijk, en vol met onherkenbare objecten.
Iets in de stem van Schöne geeft De Zwart een onheilspellend gevoel, er klinkt te veel genot in door. Hij loopt naar zijn klant toe om te zien over welke dame hij zijn lange schaduw zo nodig moet werpen.
Haar!
Schöne laat Haar beeltenis op heuphoogte tegen zich aan leunen en beweegt die op en neer. De reflectie van het zonlicht op de olieverf geeft haar niet in één keer prijs. Schönes neutrale bankiersblik, generatie op generatie geperfectioneerd, verzacht. En ineens lijkt hij op zijn zoon. Alfa, de langharige choreograaf, wereldwijd geliefd omdat hij viezerik-zijn tot kunstvorm heeft verheven. Vrouwen pissen op het toneel, mannen blazen in elkaars kont. Alfa laat zijn dansers zo hard werken dat ze van uitputting op het toneel kotsen.
Schöne gaat met hem om als met een vriend, niet als met een zoon. Hij bezoekt repetities en gaat diep met Alfa in gesprek over zijn werk, hij stelt serieuze vragen, en is soms kritisch op de meest respectvolle wijze. Laatst zaten ze hier met z’n tweeën onder de tafellamp een boom op te zetten, terwijl De Zwart zich stortte op Fleurette, de vrouw die vader en zoon bij elkaar heeft gebracht.
En de vader blijkt in de verste verte niet geschokt door de fantasieën die zijn zoon binnen de vier muren van het theater tot werkelijkheid brengt. De esthetiek van de transgressie, noemt hij het. De burgerlijke kunstopvatting: zolang het theater maar in ere blijft als de plek voor de verbeelding, een heilige plek met donkere, dichte muren, potdicht van de buitenwereld afgesloten, kan alles. ‘Esthetisch’ betekent in de mond van zijn soort mensen altijd ‘ongevaarlijk’. De Zwart is benieuwd wat er gebeurt als de vierde wand wordt lekgeprikt en Alfa’s verlangens onbemiddeld de wereld in stromen, in vloedgolven tegelijk. Een vader-zoondrama waarvoor Freud nog uit z’n graf zou willen komen.
Zij? Daar ben ik nog mee bezig. Een scherpe tong heeft ze, ze zou niet toestaan dat u zo over haar praat. Zo... De Zwart slikt zijn woorden in, samen met een dikke bal mannetjestrots.
Zei ik iets verkeerds?

[...]

 

© 2021 Persis Bekkering

pro-mbooks1 : athenaeum