Leesfragment: De trofee

27 november 2015 , door Mircea Cartarescu
| |

14 juni verschijnt het tweede deel van de Orbitor-trilogie van Mircea Cartarescu, De trofee (vertaald door Jan Willem Bos). Wij publiceren dit weekend het eerste hoofdstuk voor. Eerder publiceerden we al voor uit het eerste deel, De wetenden.

Mircea Cartarescu, geboren in 1956, is de meest gepubliceerde en meest vertaalde Roemeense auteur. Zijn werk – poëzie, proza en essays – is vertaald in 18 talen en verschenen bij 60 uitgeverijen in de hele wereld. Teksten van zijn hand zijn te vinden in ruim 25 internationale bloemlezingen. In 1994-1995 was Mircea Cartarescu gastdocent aan de Universiteit van Amsterdam.

Mircea Cartarescu kenmerkt zijn werk als volgt: ‘Alleen in de ruimste zin van het woord is Orbitor een roman. Ik geef er de voorkeur aan het een 'boek' te noemen. Het zou inderdaad het 'boek van mijn leven' kunnen zijn, niet in de zin van 'het beste' of 'dat wat zal overblijven', maar als een werk dat in zekere zin al het andere wat ik geschreven heb verbindt. Ik denk dat na Orbitor duidelijker te zien is dat al mijn werk een eenheid vormt.’

‘Wie ben ik dan? Degene die uit de persoonlijkheidstest naar voren komt?  Maar het enige wat die doen, is me in dunne dia’s snijden. Daarop afgaande heb ik, op verschillende ogenblikken, verschillende persoonlijkheden. Ons binnenste is echter geen fotoalbum. Wij zijn geen voorwerpen maar processen. Ik ben uiteindelijk de zoektocht naar mezelf. Ik besta omdat ik mezelf zoek. Ik zoek me niet om me te vinden; het feit dat ik mezelf zoek toont aan dat ik me al gevonden hebben.’

Deel een

Niets beleef ik nog echt, hoewel ik leef met een intensiteit die eenvoudige gevoelens verre overstijgt. Tevergeefs open ik mijn ogen, want ik kan niet langer zien. Tevergeefs plant ik mij neer voor mijn ovale venster en probeer geluiden op te vangen. Het is alsof ik niet slechts enkele maar miljarden zintuigen bezit, waarvan elk anders is dan de andere, ieder ervan ingesteld op andere prikkels: eentje alleen voor de vorm van de mok waaruit ik mijn koffie drink, een ander voor de vorm van mijn droom van afgelopen nacht. Een volgende voor de vreselijke fluistering in mijn oren, die ik een paar jaar geleden zo duidelijk kon opvangen, toen ik in mijn flodderige pyjama en met mijn voeten op de radiator in mijn kamer aan de Þtefan cel Mare zat. Ik neem niet langer lichtschakeringen, toonhoogten en de chemische samenstelling van een anjer en van afwaswater waar, maar hele scènes tegelijk, opgevangen door een virtueel zintuig dat zich ineens louter en alleen voor die ene scène in het middelpunt van mijn geest heeft geopend, glazig en vergankelijk als een golf water, waarmee het een reactie aangaat, die het wijzigt, platslaat en inkapselt als een amoebe en samen waarmee het een andere, oeroude en directe werkelijkheid vormt, verlicht door verlangen en verduisterd door vreemdheid. Het is alsof alles wat mij overkomt, om mij te kunnen overkomen, mij al moet zijn overkomen, alsof alles reeds in mij bestaat, maar niet in afgeronde en voltooide vorm, maar in aanleg, in rudimentaire, rimpelige, strak met elkaar verwikkelde laagjes, daar in de structuren van het brein – maar ook in klieren en organen en in mijn avondschemering, en in mijn op instorten staande huizen – waar het wacht tot de gemoduleerde vlam van het bestaan, dat op zijn beurt onvervuld en embryonaal is, voor bevestiging en voeding zal zorgen. Ik voel niets meer, behalve wat ik reeds eerder heb gevoeld, ik kan niets meer dromen behalve mijn reeds gedroomde dromen. Ik open mijn ogen, maar niet om kleur en omtrekken te zien, want het licht valt niet langer in brokstukken uiteen zodat het door de kristallens en de doorzichtige lagen van mijn netvlies heen kan dringen om rodopsine te produceren in de kegeltjes; er verschijnen ineens volledige beelden, gebeeldhouwd in rodopsine en omgeven door een soort aura van geluidsfranjes en filamenten van smaken en geuren, van hitte en vrieskou, van pijn en medelijden, van een ruk met het hoofd naar rechts, die door het evenwichtsorgaan wordt bevestigd en gecompenseerd. Er verschijnen hele stadswijken, met hun tijd, ruimte en emotie, en vooral met hun werkelijkheidsgehalte – want ze kunnen echt of gedroomd zijn, verbeeld of doorgegeven via de onnoembare lianen waarmee ons eigen leven is verbonden met dat van hen die ons zijn voorgegaan – er verschijnen lippen en geslachtsorganen, trams die ’s winters door de blubberige sneeuw voortglijden over hun rails, mijn moeder komt van tijd tot tijd langs om mij wat eten te brengen, af en toe duikt Herman op. Dit alles zou mijn bevattingsvermogen te boven gaan als het zich niet in mijn geest (mijn wereld) zou herschikken, als mijn staafjes zich daar niet zouden openen, als ik niet op ieder moment van mijn bestaan tegen mijzelf zou zeggen: ‘Dat heb ik al eerder beleefd, daar ben ik al eens geweest’, zoals je alleen licht kunt waarnemen als er al eerder licht is geweest in de occipitale zone van je leven zodat daar het lichtzintuig heeft kunnen ontstaan. Daarom is mijn leven reeds geleefd en is mijn boek reeds geschreven, want het verleden is alles, de toekomst niets.
Ik had het verpletterende bouwsel van mijn leven onmogelijk overeind kunnen houden als ik niet zelf in mijn geheel een zintuig voor dat leven was geweest. En zoals het oog niets anders kan opnemen en begrijpen dan puur licht, aangezien het uit licht gebeeldhouwd is in het poreuze bot van mijn schedel, en zoals er niets anders op de wereld bestaat dat licht kan opnemen en begrijpen, zo is ook de compacte bundel laagjes en membranen van mijn lichaam, met de anatomie en melancholie van zijn wikkelingen, met zijn driedimensionale structuur, zo ongrijpbaar als die van een aldehyde, één enkel groot zintuig dat uitsluitend geprikkeld wordt door mijn leven, door deze energie die noch licht, noch geluid, noch geur, noch smaak is, noch tactiele of synesthetische gevoelens, noch het scheuren van weefsels. Niets zou ooit op een andere wijze mijn leven kunnen waarnemen, het zou ronddolen in het onzegbare zoals biljoenen andere prikkels waar niemand iets mee aan kan, zoals het licht in een heelal zonder oogbollen en zoals kou in werelden zonder opperhuid. Ik ben één groot zintuiglijk orgaan, open als een zeeanemoon filter ik door het witte vlees van mijn zenuwen de maalstromen van dit unieke bestaan, van deze unieke zee die mij voedt en mij bergt. Eén enkele speurende blik, één enkele lucide gevoelscel, die voortdurend de zonnewind van mijn leven tot zich neemt, met de wispelturige franjes van zijn aurora polaris, met zijn ongrijpbare avondschemeringen en verblindende dageraden, die tussen de doorzichtige vliezen dringen, mijn nieren en speekselklieren belichten, mijn geraamte met fluor en arseen tekenen en mijn darmen met kwik beschilderen. Ze veranderen me, brengen chemische afwijkingen, herinneringen en reflexen, beelden en geluiden tot stand, doen hormonen en dromen vrijkomen, en liften en nachten en nooit eerder aanschouwde monsterlijke koppen, en heel deze organische en psychische en tragische en ethische en muzikale stroom wordt doorgestuurd, via de fontanel, over de omhoogvoerende wegen van het goddelijke, via mystieke synapsen en engelachtige axonen naar het optisch chiasma van de ons omvattende geest, en vandaar naar de thalamus van de karma en naar de projectiegebieden waar in kluwens gegroepeerde heiligen en rechters, met gulden aureolen rondom hun doorzichtige schedels, tongen van vuur en cyanide uitsteken, metend, wegend en beschikkend. Veranderd in codes en symbolen, in allegorische balletten omvat mijn misvormde leven de schedel van de godheid, beschut deze als een regenboog, als een elektrische homunculus met reusachtige vingers, met duizenden geledingen, met lippen als van een saxofonist, maar met een minuscuul wormlijfje dat aan een zijden draad bungelt. Want de godheid is een reusachtig brein, een plechtige kwal met miljarden zintuigen die verglijdt in de afgrond van de door batterijen van blauw licht zwak verlichte nacht. Zijn koepel pulseert zachtjes en zijn doorzichtigheid is louter gulden liefde. Een grote kwal die denkt. Een gedachte die denkt, maar dan niet in termen van denken, maar in die van het peilloze niets dat het omringt, alsof de hele pulserende kathedraal – groter en met meer opsmuk en complexer dan het vermogen van de gedachte om hem te denken, guldener dan het vermogen van de liefde om zichzelf lief te hebben, uiteindelijk zelfs machtiger dan de macht zelf, dwingender dan de wil zelf – niets anders is dan een minuscule onvolkomenheid van het omringende niets, een defect van de feilloze, de ganse leegte vullende dood, een onmogelijk te lokaliseren holte in de rotswand van de grenzeloze nacht. Die op zijn beurt een feilen van het hyper-niets, van de ultra-leegte, van de dood verheven tot de doodse macht en van de alef verheven tot de alefse macht is. Zodat uiteindelijk ook de godheid niets anders dan een fantastisch zintuig voor een meer verhuld niets is. Plooien in plooien, als een roos, als een vulva.
In de tussentijd filter ik mijn leven. Ik verslind het, drink het, zie het, ruik het, bijt erin, leef het, haat het, bezit het. Ik, worm met vier symmetrische segmenten, verander mijn leven in gecodeerde impulsen en verstuur het hiërarchisch, naar boven. Schedel en borstkas getuigen van het paradijs, ze kleuren als lakmoespapier wanneer ze zijn ondergedompeld in gelukzaligheid. Ik denk, adem en pomp mijn bloed in gasvormige staat door mijn aderen. Het is de driehoek van mijn geluk, de piramide van mijn menselijkheid en mijn engelenkoor dat zingt op het uitgestrekte tapijt van zenuwen en spieren van het middenrif. Wanneer ik gelukkig ben, denk ik, adem ik en klopt mijn hart. Dat zijn de functies van een vogel, de vleugels opengevouwen over de diamanten schedel. Het zijn drie open, helderblauwe ogen op vlindervleugels. Ware ik slechts dat: hersenen, hart en longen, dan zou ik een god zijn, want goden hebben geen slijmerige ingewanden. Ik zou een door een straal lucht en bloed aangedreven ruimtevaartuig zijn, dat door zijn cerebrale piloot wordt bestuurd te midden van de sterren. En hij, de homunculus, in zijn paarlemoeren kostuum van myeline, zou het besturen op zijn eigen lichaam alsof het een vernuftig bedieningspaneel was, met miljoenen malen vertakte vingers die over de miljarden draadjes en poriën van zijn denkende lichaam glijden. En het hele ruimteschip zou zijn gevuld met als vloeibaar goud blinkende cerebrospinale vloeistof, en in de hersenpan van de afstotelijk mooie piloot zou een andere homunculus tientallen vingers als spinrag over zijn eigen lichaam laten dartelen, en in zijn schedel zou een andere homunculus ronddobberen in gulden vocht. En het lichaam van de grotere zou telkens de kosmos van de kleinere zijn, en de wereld en de nacht en God zouden niets meer zijn dan in elkaar verpakte kosmossen, van elkaar gescheiden door steeds dunnere schedelwanden, schedels in schedels in schedels in schedels...
Maar ik ben niet alleen een engel, ik ben ook een afschrikwekkende en groteske demon, die als een harige vogelspin onder het middenrif op de loer ligt. Hier heb ik darmen en nieren, en eronder, in hun rossige, rimpelige buidel, de vreemde eieren die de tijd denken. Net als de buis waardoorheen ik, gehalveerd en gereduceerd tot een dromerige vibrio, naar de buik van een ander universum reis. Hier zwelg ik, afdalend in een straal urine en sperma, in verachtelijkheid. Hier snuif ik het zwavelvuur van de hel op. En zoals mijn schedel, waarin de hersenen schuilen, voortgedreven door hart en longen, door lucht en zout water, door de verzamelde universums navigeert, stuwen het vuur in mijn scrotum en de aarde in mijn darmen de zaadcellen door de tijd die de ruimte overdwars splijt en er een gewichtloos kwartskruis mee vormt. En ziehier de hel: naakte mannen- en vrouwenlijven paren kreunend en stuiptrekkend met elkaar, komen eindeloos uit elkaar voort, waarbij hun baarmoeders en vagina’s worden verscheurd, hun zwellichamen zich met smeermiddelen en bloed vullen, ouder worden, verzwakken, wegrotten, zonder echter op te houden eicellen en zaadcellen te produceren, moordende capsules die als fotonen de zinnelijke mond van andere vrouwen, de harige dijen van andere mannen verlichten, ouders en kinderen en ouders en kinderen die de rottenis van uiteengevallen organen, van botten die langzaam vergaan in doodskisten van hetzelfde verblindende kwarts achterlaten. Buiken die buiken omsluiten waarin buiken zitten, alsof alle moeders en dochters in elkaar vervat zijn, een eindeloze reeks zwangere vrouwen, een eeuwige afwisseling van baarmoederwanden en foetussen die zwanger zijn van andere foetussen, baarmoeders in baarmoeders in baarmoeders in baarmoeders...
En zo bestaat de hemelse kwal niet alleen uit hersenen en niet alleen uit gedachte, hij bestaat tegelijkertijd uit seks en liefde, en dat niet door de versmelting van principes en vleselijkheid, maar doordat deze in essentie identiek zijn, want in extremis, in de extreme stormpakhuizen bevindt zich het hyperbrein, de ruimte dus, dat niets anders is dan de hyperseks, die de tijd is. En het hyperdenken, dat alles is, is niets anders dan de hyperliefde, die niets is. En het ongrijpbare, onvermijdelijke, onbederfelijke alles-niets is zowaar mijn leven zelf, dat ik ervaar met het zintuig van mijn lichaam, in het water waarin ik fladder en flakker, dat ik uitvind naarmate het mij uitvindt, totdat het verdikt terwijl ik ijler word en we samen een leven-lichaam-complex vormen, waarin het niet langer duidelijk is wie wie creëert en saboteert. Want de matrix van mijn organen legt mijn lichaam een gecodeerde vorm op, de enige die jouw grijze stof begrijpen kan. Door middel daarvan stuur ik jou de geur van mijn haar en de smaak van mijn lippen, de kleur van mijn ogen en de hardheid van mijn nagels. Je vindt ze allemaal in deze grote unieke code, in deze codex, in dit onleesbare boek, dit boek.

Copyright © Mircea Cartarescu / Paul Zsolnay Verlag Wien 2011
Copyright Nederlandse vertaling © 2012 Jan Willem Bos
Copyright © De Bezige Bij 2012

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum