De eerste bladzijde van Vincenzo Consolo’s Retabel, vertaald door Pietha de Voogd

14 april 2011
| | | |

Vincenzo Consolo (1933, Sant'Agata di Militello, Sicilië) wordt gerekend tot de grootste Siciliaanse schrijvers van de twintigste eeuw. In 1992 won hij de prestigieuze Premio Strega. Retabel is de eerste Nederlandse vertaling van zijn werk. Bereid u voor op taalvirtuositeit, muziek, ritme, een liefdesverhaal dat wordt verteld zoals de barokke kerk in Noto is gebouwd. De splinternieuwe uitgave van dit twintig jaar geleden in Nederland gepubliceerde meesterwerkje werd gepresenteerd door uitgever Jan de Ruijter van Novecento, NRC-recensent Arnold Heumakers en vertaalster Pietha de Voogd, die hier ook, op ons verzoek, schrijft over de vertaling van de eerste pagina van dit ‘drieluik over de gemankeerde liefde’.

Het drieluik en de klacht

Linkerpaneel: de monnik Isidoro wordt verliefd op een volksmeisje in Palermo, op het achttiende-eeuwse Sicilië: de tijd van koetsen, pruiken, kwikken en strikken. Hij ontvlucht zijn klooster om zich na hun liefdesnacht voor altijd bij haar te voegen, maar hij vindt haar nergens meer. Rechterpaneel: het meisje Rosalia – ook de naam van de beschermheilige van Palermo – ontvlucht haar armoedige bestaan en het vooruitzicht op een onvermijdelijk tanende liefde en gaat het klooster in. Zij is Isidoro’s heil én zijn ondergang.

In het middenpaneel introduceert Consolo de schilder Fabrizio Clerici uit Milaan die zijn stad ontvlucht omdat zijn aanbedene, de adellijke dame Teresa Blasco, zijn liefde niet beantwoordt. In Palermo ontmoet Clerici Isidoro en hij neemt hem mee op reis langs de schoonheden van het oude Sicilië, de een zoekend naar zijn geliefde, de ander haar ontvluchtend.

Vincenzo Consolo begint zijn barokke drieluik met een alinea over het eerste deel van de naam van Isidoro’s lief, Rosa. Het is Isidoro’s klacht:

Rosalia. Rosa e lia. Rosa che ha inebriato, rosa che ha confuso, rosa che ha sventato, rosa che ha ròso, il mio cervello s’è mangiato. Rosa che non è rosa, rosa che è datura, gelsomino, bàlico e viola; rosa che è pomelia, magnolia, zàgara e cardenia. Poi il tramonto, al vespero, quando nel cielo appare la sfera d’opalina, e l’aere sfervora, cala misericordia di frescura e la brezza del mare valica il cancello del giardino, scorre fra colonnette e palme del chiostro in clausura, coglie, coinvolge, spande odorosi fiati, olezzi distillati, balsami grommosi. Rosa che punto m’ha, ahi !, con la sua spina velenosa in su nel cuore.
Lia che m’ha liato la vita come il cedro o la lumia il dente, liana di tormento, catena di bagno sempiterno, libame oppioso, licore affatturato, letale pozione, lilio dell’inferno che credei divino, lima che sordamente mi corrose l’ossa, limaccia che m’invischiò nelle sue spire, lingua che m’attassò come angue che guizza dal pietrame, lioparda imperiosa, lippo dell’alma mia, liquame nero, pece dov’affogai, ahi !, per mia dannazione.

Bloemen en een rozekrans

De suggestieve namen van de bloemen en planten hebben één ding met elkaar gemeen: ze zijn mooi, verleidelijk én giftig, want ze behoren allen tot de familie der nachtschaden. Daarnaast zijn de namen gekozen op klank en ritme. Een botanisch verantwoorde vertaling zou de plank dus volledig misslaan.

Ik moest in het Nederlands zoeken naar nachtschadeachtigen die net zo betoverend klonken en liefst ook een tegenstelling (goed-kwaad) in zich droegen. Onze zo vaak versmade taal bood ze me op een presenteerblaadje aan: elfrank en bitterzoet (voor ‘bàlico’ en ‘viola’).

De tweede alinea speelt met de tweede helft van Rosalia’s naam en refereert aan alles wat deze Rosalia met onze monnik deed: alle sleutelwoorden beginnen met ‘lien staan in alfabetische volgorde: ‘lia’, ‘liana’, ‘libame’, ‘licore’, ‘lilio’, ‘limaccia’, ‘lingua’ enzovoort. Deze opsomming is bovendien zwanger van alliteraties en binnenrijm en heeft de cadans van de rozenkrans.

Verder staan er een aantal voor Italianen – en zelfs Sicilianen – onbekende woorden in de tekst. De Nederlanders krijgen er ook minstens één, zij het op een andere plek dan in het origineel: ‘glinting’, voor het doodgewone ‘cancello, dat net als glinting doodgewoon hek betekent. Gevonden in het Glossarium voor zeventiende-eeuws Nederlands.

Het onvertaalbare

Ik begon welgemoed aan deze bladzijde en deed een week over de eerste, ruwe versie. Toen dacht ik níet, zoals een verstandig mens zou doen: dit is onvertaalbaar. Ik dacht: kom, door met de tweede bladzijde, dan zien we later wel. En voort ging het, zeven maanden lang werken aan een boekje van 160 paginaatjes.

Op tweederde van het boekje kreeg ik het benauwd. Ik vroeg belet bij een docent Italiaans van de Universiteit van Amsterdam, een Siciliaan bovendien. Hij las de eerste bladzijde en sprak: ‘Dit boek is onvertaalbaar.’ ‘Dat komt slecht uit, want ik ben al op tweederde.’ Ik ging naar huis, gaf mijn zoontjes te eten, stopte ze in bed en zat om precies 8 uur achter mijn bureau. Hoezo onvertaalbaar?

Ik schreef alle woorden die met ‘li begonnen en die enigszins met stijl en inhoud van het verhaal te maken hadden over uit de Van Dale. Ik paste de beelden uit het Italiaans aan – met zo veel mogelijk behoud van het origineel, vooral qua klank en ritme, en met behoud van de dubbele (seksuele) bodems –, zette de woorden die begonnen met li op alfabetische volgorde, begon te allitereren en te associëren en te assoneren en klokslag twaalf uur ’s nachts: voilà, de kikker werd een prins.

Rosa en lia. Rosa die benevelde, rosa die verbijsterde, rosa die verijdelde, rosa die roofde, mijn zinnen  zijn ontzind. Rosa die geen roos is, rosa die doornappel is, jasmijn, elfrank en bitterzoet; rosa die pomelia is, magnolia, petunia en gardenia. Dan zonsondergang, en bij avondstond, als de opalen bol aan het zwerk verschijnt, de lucht niet langer zengt, daalt genadig koelte neer en overschrijdt een bries van zee het glinting, strijkt langs palmen en pilaren van het klooster in clausuur, vangt, omvangt, verstuift lichte odeuren, sublieme aromen, droesige balsemgeuren. Rosa,  ze stak, wee!, met haar giftige doorn recht in mijn hart.
Lia die mij liasseerde als ceder en citroen de lippen, liane van smarten, eeuwige keten, bedwelmende libatie, betoverde likeur, dodelijke drank,liefde die mijn lichaam delgde, lelie van de limbus die ik godinne waande, lint dat mij omslingerde en verstikte, slangetong, vergif deed je me slikken, fiere liebaard, lipide van mijn ziel, zwarte liquor, pek waarin ik, wee mij verdoemde!, reddeloos ten onder ging.

Pietha de Voogd vertaalde eerder werk van Umberto Eco (De naam van de roos, met Jenny Tuin), en met Mieke Geuzenbroek Paolo Giordiano (De eenzaamheid van de priemgetallen), Silvio D'Arzo, Francesco Biamonti, Andrea Camilleri, Pietro Grossi, Andrej Longo, Erri de Luca en het binnenkort te verschijnen Het Mussolinikanaal van Antonio Pennacchi.

Zie ook het nawoord (pdf, via Novecento Press) bij Retabel door Walter Geerts.

Delen op

MINDBOOKSATH : athenaeum