De eerste zin van Tomas Bannerhed, Waar de vogels vliegen, vertaald door Maydo van Marwijk Kooy

30 maart 2013
| | |

Klas Georgsson ziet door zijn verrekijker een weelderige wereld vol vinken, sperwers, mussen en oneindig veel mogelijkheden. Maar als hij zijn verrekijker laat zakken, kijkt hij uit over de magere akkerlanden van de familieboerderij. Hij ziet zijn vader Agne, net als generaties voor hem, voorovergebogen over het erf lopen. Klas’ interesse ligt echter niet bij het boerenbedrijf. Hij verlangt naar de vrijheid van de vogeltrek. Wij vroegen de vertaalster Maydo van Marwijk Kooy om haar vertaling van Waar de vogels vliegen toe te lichten.

Där är far, tänkte jag. Mitt i molnet som aldrig tar slut.
Sitter och skumpar på farfars gamla Ferguson med njurbältet åtdraget och blir grå i håret och kommer hem och luktar mull – för att han inte har någat val. För att det är den här plätten vi har, den här lilla biten jord, de här tunnlanden odlat. Slåttersjön som dikats ut och blivit till åker och vall, Korpmyren som ryker som aska och fnöske så snart torkan sätter in, torvmarken som plötsligt kan slå eld och ligga och ulma och flämta långt nere i djupen, brunna utan flammor, pyra utan att synas, förtära allting underifrån tills man gräver gravar och skär av.

Daar is vader, dacht ik. Middenin een eindeloze wolk stof.
Die daar met strak aangetrokken niergordel op grootvaders oude Ferguson zit te schudden, grijze haren krijgt en de lucht van vermolmde aarde mee naar huis neemt – omdat hij geen keus heeft. Omdat dit ons lot is, dit kleine lapje grond, deze bunders bouwland. Het drooggelegde moeras dat is veranderd in akkers en weiden, het Ravenveen dat rookt als een tondeldoos zodra de droogte inzet, dat plotseling vlam kan vatten en op grote diepte kan liggen broeien en gloeien, branden zonder vlammen, onzichtbaar liggen smeulen, alles van binnenuit verteert tot er geulen worden gegraven en er een eind aan wordt gemaakt. 

Verschil in gevoelswaarde

Där är far, tänkte jag. (Daar is vader, dacht ik.)
De eerste zin is niet erg ingewikkeld. Maar toch, wat zal ik in de vertaling doen met het ouderwetse far? Het boek speelt zich af in de jaren zeventig. Ook toen was far in Zweden al behoorlijk in onbruik geraakt. Vader in het Nederlands past dus goed. Het onderscheid met mama, zoals Klas zijn moeder noemt, is functioneel in het verhaal en blijft dan mooi bewaard. Maar zal ik een bezittelijk voornaamwoord toevoegen? In het Zweeds doen ze dat nooit – ook volwassenen niet die met wildvreemden over hun ouders praten. In het Nederlands gebruiken we zo’n bezittelijk voornaamwoord meestal wel en zou Klas al snel spreken van mijn vader. Maar dan wordt het ook mijn moeder (mijn mama kan mijns inziens niet), en dan raak ik het verschil in gevoelswaarde tussen vader en mama kwijt. Het blijft dus vader. Zonder mijn.

Onbekend geworden woorden en klankherhalingen vertalen

De archäismen in het boek hebben een belangrijke functie: zij versterken het beeld van een bijna voorbije tijd. Klas heeft het over tunnland odlat; een tunnland is een oude oppervlaktemaat die neerkomt op ongeveer een halve hectare. Ik vertaal uiteindelijk met bunders bouwland – de bunder klopt precies qua sfeer, maar is wel twee keer zo groot als een tunnland. Mag dat? Ik vind van wel. Het gaat hier niet om een precieze maat; het aantal tunnland wordt ook niet genoemd. Trouwens, bunders konden in het oude Nederland ook sterk per streek verschillen.  

In de daarop volgende zin is sprake van [grond die rookt of dampt als] fnöske, de licht ontvlambare hoed van een paddenstoel, die werd gebruikt om vuur te maken. Het woord is tegenwoordig volkomen onbekend. Gelukkig kan ik in het Nederlands een tondeldoos laten roken, waarmee ik ook nog eer doe aan de klankherhalingen die je in het boek voortdurend tegenkomt. Soms lukt het niet om ze in de vertaling op precies dezelfde plek te krijgen, maar met het bovenstaande resultaat ben ik redelijk tevreden.

Dit is een ‘gewone’ vertaalkwestie. In dit boek hebben we daarnaast de vogels – meer dan zeventig soorten. Veel zoek- en denkwerk vergen bovendien ook de klank en ritme van de tekst. Dat zien we ook al in die eerste regels.

Waar de vogels zingen

Tomas Bannerhed overlegt graag over vertaalproblemen. Uit mijn gesprekken met de auteur blijkt dat hij soms dagen kon zoeken naar een woord dat voldeed aan zijn eisen van klank, kleur en ritme. Dat geldt ook voor de beschrijving van de vogels en hun geluiden, zoals wanneer Klas een smeekbede tot de vogels richt - hij wil dat ze hem zullen helpen indruk te maken op een meisje.

De duikende visarend in de eerste regel en de roodpootvalk daarna zijn geen probleem, maar dan komt de horsgök, die moet horsa. Horsgök blijkt een oude benaming voor een watersnip. En horsa is een in onbruik geraakt woord voor hinniken. Zouden er in het Nederlands ook dergelijk bijnamen bestaan? Een oude vogelgids, Zien is kennen, blijkt veel volksnamen te vermelden en ja hoor, de watersnip werd vroeger weerlam of hemelgeit genoemd. Zelf vind ik hier een blatend weerlam het meest op zijn plaats. En het pispa in de regel erna? Dat staat ook niet in het woordenboek. Het blijkt een geluid dat alleen door de houtsnip wordt gemaakt. Hoe klinkt de houtsnip in het Nederlands? Hij tswiept. Maar dan, de storspov. Diens naam is bij ons welbekend, maar erg kort: wulp. De auteur is het met me eens dat die enkele lettergreep daar niet mooi is. Mag ik er soms een regenwulp van maken? Geen sprake van – de wulp is een soort nationale vogel van de streek waar het verhaal zich afspeelt. Bovendien komt de regenwulp maar weinig in Zweden voor. Opnieuw brengt de oude vogelgids uitkomst: de wulp werd hier vroeger ook wel waterwulp genoemd. Heb ik toch mijn drie lettergrepen.

Maydo van Marwijk Kooy is vertaalster van het Zweeds en Deens naar het Nederlands. Ze vertaalde onder anderen Henning Mankell en Astrid Lindgren.

Auteursportret CC: Historiker

Delen op

MINDBOOKSATH : athenaeum