Over het vertalen van Louise Erdrichs Toekomstig huis van de levende god, door Arjaan & Thijs van Nimwegen

19 juni 2018
| | | | |

Arjaan en Thijs van Nimwegen vertaalden Louise Erdrichs Future Home of the Living God als Toekomstig huis van de levende god. We vroegen hun hun vertaling toe te lichten. Over de luchtige toon, de journalistieke toon van de praesens en hoe je Sweetie vertaalt.

Toekomstig huis van de levende god is een dystopische roman, een genre dat de laatste jaren nogal in trek is, ook in de filmwereld. Het zal wel met de milieucrisis te maken hebben (of met Trump), maar de aarde is in elk geval steeds weer woest en ledig na een ecologische ramp, en overlevenden moeten zich zien te redden, terwijl de maatschappij steeds meer fascistoïde trekken krijgt. Klassieke SF is het niet (technologische snufjes ontbreken), je zou het ‘speculatieve fictie’ kunnen noemen.

In dit boek heeft de ramp zich nog niet voltrokken, maar de dreiging is alomtegenwoordig. Dat zou tot grimmige humorloosheid kunnen leiden, maar dat is niet het geval, dankzij de hoofdpersoon Cedar, die een verademende flodderigheid tentoonspreidt. Ze gaat volkomen op in zichzelf, zoals je misschien kunt verwachten bij een zwangere vrouw, en het lijkt of de verontrustende ontwikkelingen langs haar heen gaan, tot het moment dat ze zelf de gevolgen ondervindt. Haar zelfspot, ironie en afstandelijkheid tegenover de buitenwereld werken soms bepaald humoristisch. Die luchtigheid, naast de beklemming, moesten we zien te bewaren.

Voor het vertalen hebben we de tekst in tweeën geknipt, wat betekent dat je elkaar wel op de voet moet volgen en overleggen. Wekelijk lezen we elkanders vertaalde tekst hardop voor en geven commentaar. Die nauwe samenwerking leidt ertoe dat we vaak achteraf niet meer weten wie welk gedeelte heeft vertaald, en dat geldt ook voor deze voorbeelden.

‘How much money do we have?’ Phil asks.
‘People are still using cash?’
‘Not always, but it works half the time.’
He’s made the bulk of our cash off selling little jelly packets in the vigorous city street markets.
‘A thousand. Plus I bought some cartons of cigarettes.’
Phil’s eyes warm with admiration.
‘Cigarettes! I can buy anything with those. People smoke like crazy now.’
I’ve got a thousand counted up, wrapped in the empty freezer, in newspaper. The rest of the money is buried under a flagstone by the back door. Why I don’t tell Phil about all of the money, about the liquor and ammo at that moment, I don’t know. But once I haven’t told him, it is impossible to suddenly tell him. I say nothing.
‘Hoeveel geld hebben we?’ vraagt Phil.
‘Accepteren ze nog steeds contant geld?’
‘Niet altijd, maar de helft van de keren werkt het.’
Het grootste deel van ons geld had hij verdiend met de verkoop van pakjes jam op de levendige straatmarkten in de stad.
‘Duizend. En ik heb een paar sloffen sigaretten gekocht.’
Phils ogen warm van aanbidding.
‘Sigaretten! Daarmee kan ik kopen wat ik wil. De mensen roken zich tegenwoordig te pletter.’
Ik heb duizend dollar uitgeteld en in een krant gewikkeld in de lege vrieskist gelegd. De rest van het geld ligt begraven onder een flagstone bij de achterdeur. Waarom ik Phil op dat moment niet over al dat geld vertel, over de drank en de munitie, ik weet het niet. Maar nu ik het hem niet verteld heb, kan ik het onmogelijk opeens vertellen. Ik zeg niets.

Tegenwoordige tijd

Cedars dagboek is in feite een brief aan haar ongeboren kind, en het is, ongewoon voor een dagboek en ook voor de Engelstalige verteltraditie, geschreven in de verhalende praesens, die voor een journalistieke directheid zorgt. Handeling en bespiegeling vallen in tijd samen, wat de vertelling vaart geeft. In het Nederlands is dat stijlmiddel overigens gebruikelijker, en we zijn niet ontevreden over de natuurlijkheid van het resultaat.

This notebook has become my life, or perhaps better to say that this notebook has become the way I remain connected with my life, and with you. [...] I have picked up bits of paper from the now and from the before, as mementos of the curious world you will be entering soon. Many tiny pieces of paper, blown from bags, fluttering off the giant pile, lie in drifts here and there in the Merf. I smooth them out and add them to the envelopes of scraps that I taped to the inner cover of your book. They have made their way here from all corners of the earth. Lemon candy wrappers from Spain and many tags—marked Made in China, Taiwan, USA, Sri Lanka, Berlin. There are cards printed in Korea and little decorative bits of gilt and lavender wrappers from France, Australia, Indonesia. Torn and smudged photos. Wine labels from New Zealand. Erection instructions to some long-lost tent manufactured in Taiwan. There are scraps of iconic American soup, mac & cheese, scouring pad, and laundry soap packaging. Envelopes with beautifully printed stamps juxtaposed for merely utilitarian purposes—yet bearing along some mysterious effect. In the facility’s medicine cabinet I find a bottle of glue, and a pair of tiny nail scissors. Fitting and gluing my little tag-bag of treasures together occupies me.
Dit notitieboek is mijn leven geworden, of beter gezegd: door dit notitieboek blijf ik verbonden met mijn leven, en met jou. […]  Ik heb stukjes papier uit het nu en het voorheen verzameld, als aandenken aan de merkwaardige wereld die jij nu spoedig zult betreden. Verspreid door de Merf liggen vele stukjes papier, uit tassen gewaaid, van de grote stapel af gedwarreld. Ik strijk ze glad en stop ze in de enveloppen met snippers die ik op de schutbladen van jouw boek heb geplakt. Ze komen uit alle uithoeken van de aarde. Zuurtjeswikkels uit Spanje en allerlei labels – Made in China, Taiwan, USA, Sri Lanka, Berlin. Kaarten gedrukt in Korea en decoratieve stukjes verguldsel en lavendelpapier uit Frankrijk, Australië, Indonesië. Gescheurde, vlekkerige foto’s. Wijnetiketten uit Nieuw-Zeeland. De gebruiksaanwijzing van een lang verdwenen tent, gemaakt in Taiwan. Snippers van legendarische Amerikaanse soepetiketten, van dozen macaroni met kaassaus, schuursponsjes en waspoeder. Enveloppen vol schitterende postzegels die om puur praktische redenen in rijtjes op een vel zitten, maar daardoor toch iets geheimzinnigs hebben. In het medicijnkastje van de Merf vind ik een potje lijm en een piepklein nagelschaartje. Daarmee knip en plak ik mijn knutselwerkje van schatten ineen, om bezig te blijven.

Sweetie?

Grote problemen hebben zich eigenlijk niet voorgedaan, al hebben we ons moeten verdiepen in hoogst katholieke theologische kwesties zoals de Vleeswording en de Menswording, soms in Amerikaanse verpakking, zoals de toch wat bizarre badkuip-madonna’s (zoek maar op). Cedars biologische moeder, Sweetie, hebben we uiteindelijk Lieffie genoemd, al hebben we overwogen dat dat misschien iets vulgairder is. Sweetie laten staan? Had ook gekund. Decisions, decisions.

Rust

Maar wel minor decisions. Aan Erdrich hebben we nu weer eens in alle rust kunnen werken. Een verademing. Niet de geringste plaag die de vertaler de laatste jaren teistert is de neiging om vertalingen van Engelstalig werk zo kort mogelijk na de oorspronkelijke versie uit te brengen. Liever nog tegelijkertijd. En het allerliefst: eerder (ook dat is ons al overkomen). ‘Anders kopen ze de Engelse versie’ is de reden die wordt aangevoerd. Wij hebben zo onze twijfels. Het geldt misschien voor non-fictie, maar wie geen moeite heeft met Engels zal bij literaire fictie toch liever voor de originele tekst kiezen. Een goede lezer heeft geen haast. Sommige uitgevers denken daar anders over. Vandaar al die groepsvertalingen, trio’s, kwartetten en nog erger, en de noodzaak om vaak te werken met een brontekst die nog niet geredigeerd is, nog niet af is, en in het ergste geval nog eens totaal wordt omgewerkt door een weifelende auteur, die vier nieuwe versies levert als je al halverwege je vertaling zit.

Zulke ergernis bederft de pret. De afgelopen jaren hebben we een paar keer zo moeten werken. Wij noemen geen namen en titels. Te veel woorden per week vertalen leidt tot kwaliteits- en humeurverlies. Voor Toekomstig huis hadden we tijd genoeg, ook voor andere zaken – ook een vertaler moet stofzuigen en mag op vakantie. Zo zou het altijd moeten gaan.

Arjaan van Nimwegen (1947) is vertaler en schrijver. Samen met Thijs van Nimwegen vertaalde hij boeken van David Vann [lees ook hun toelichting bij de vertaling], Philipp Meyer, David Cronenberg, Solomon Northup, Marlon James, Robert Harris, Claire Vaye Watkins, Lawrence Hill, Lee Clay Johnson, Amor Towles en Jennifer Egan [lees ook hun toelichting]. Hij vertaalde ook werk van Aravind Adiga, Kenzaburo Oë, Donna Tartt, Martin Page en Paul Verlaine.

Thijs van Nimwegen (1981) is vertaler. Solo vertaalde hij Goat Mountain van David Vann en The Kept van James Scott. Behalve met Arjaan van Nimwegen werkt hij ook geregeld samen met Anne Roetman, met wie hij werk van Jarett Kobek, Sigrid Rausing, Paul Theroux en Mira T. Lee vertaalde. Hij is bestuurslid van de Vereniging van Nieuwe Vertalers (VvnV).

Delen op

MINDBOOKSATH : athenaeum