Recensie: Het lijden van de boze, eenzame, seksloze witte man

04 februari 2019 , door Bob Kappen
| |

Michel Houellebecq (1956) staat bekend als het enfant terrible van de Franse letteren. Zijn romans zorgen altijd voor spanning in binnen- en buitenland. De Franse pers is immer kritisch; misschien is Houellebecq wel een grotere schrijver buiten Frankrijk. Toch schudt heel Frankrijk op zijn grondvesten na lezing van een nieuwe Houellebecq. Zo ook na Sérotonine. De hoofdpersoon Florent-Claude Labrouste is zwaar verslaafd aan dit gelukshormoon dat tevens libido-verlagend werkt. Hier ontdekken we een eerste worsteling van het hoofdpersonage. Een depressie die roept om het antidepressivum versus een constante geilheid die wordt belemmerd door hetzelfde middel. Sérotonine is een grootse roman.

O those days ...

In de nazomer van 2010 liep ik het Bungehuis van de Universiteit van Amsterdam binnen. Trap op, door de draaideur, eerste deur links. Tijd voor mijn eerste college Moderne Franse letterkunde. Mijn docent, zware rokersstem en koffieverslaafd - denk ik - vertelde ons passioneel over haar vakgebied. Proust en Houellebecq waren ‘haar’ auteurs. Sinds dat moment was ik verslaafd aan haar (lessen) en aan Houellebecq zoals ik ook verslaafd was aan koffie, Franse sigaretten en wat nog al niet meer. Aan serotonine misschien?

Nu is het acht jaar later en werk ik net bij Athenaeum. Droombaan. Maar het toeval wil dat op een van mijn eerste dagen de nieuwe Houellebecq verschijnt. En Français. Ik stop hem gelijk in mijn tas en doe een schaamteloos vreugdedansje. Het boek is lange tijd een groot geheim geweest. Enkel een datum van verschijnen, later een titel maar helemaal niks over de inhoud. Literair Frankrijk speculeerde. Er staat ons wat groots te verwachten, was het sentiment.

Om met Marja Pruis te spreken: ‘Genoeg nu over mij’.

De actie

‘J'ai quarante-six ans, je m'appelle Florent-Claude Labrouste et je déteste mon prénom, je crois qu'il tient son origine de deux membres de la famille que mon père et ma mère souhaitaient, chacun de leur côté, honorer; c'est dáutant plus regrettable que je n'ai par ailleurs rien à reprocher à mes parents, ils furent à tous égards d'excellents parents, ils firent de leur mieux pour me donner les armes nécessaires dans la lutte pour la vie, et si j'ai finalement échoué, si ma vie se termine dans la tristesse et la souffrance, je ne peux pas les en incriminer, mais plutôt un regrettable enchaînement de circonstances sur lequel j'aurai l'occasion de revenir - et qui constitue même, à vrai dire, l'objet de ce livre - je n'ai quoi qu'il en soit rien repocher à mes parents mis à part ce minime, ce fâcheux mais minime épisode du prénom, non seulement je trouve la combinaison Florent-Claude ridicule, mais ses éléments en eux-mêmes me déplaisent, en somme je considère mon prénom comme entièrement raté.’

Houellebecq presenteert zijn hoofdpersonage op de eerste pagina's zoals alleen hij dat kan. Als lezer weet je gelijk waar je aan toe bent. Stiekem weet je dat altijd wel met een boek van Michel Houellebecq. Het boek is een kritiek op de wereld, staat bol van seks, is anti (bijna) alles en de hoofdpersonages zijn altijd boze mannen. En daarom houd ik ook zo van Houellebecq. Hij weet mij iedere keer weer boos te maken en toch ben ik verslaafd aan zijn werk.

Maar Florent-Claude Labrouste dus. Hormonen maken de man. Of wat maakt Florent-Claude eigenlijk? Zijn naam in ieder geval niet, die is enkel een belemmering. Vrouwen? Die zijn verleden tijd. Hij bedroog ze en ze vertrokken vervolgens uit zijn leven.

Werk dan misschien? Ook niet. Florent-Claude heeft gewerkt als landbouwkundige. In deze functie schreef hij rapporten over de gefaalde promotiecampagne van de Camembert in de Verenigde Staten en de onvruchtbare abrikozenproductie in Zuid-Frankrijk. De door hem bedachte aanbevelingen kwamen niet verder dan het door hem, en door Houellebecq, zo gehate Brussel. Het kapitalistische denkbeeld van ‘de mannen in Brussel’ en het volhardende geloof in de vrije markt zijn volgens Labrouste en Houellebecq de reden dat het slecht gaat met Frankrijk en de gewone Fransman.

Aymeric d’Harcourt-Olonde, de beste vriend van Florent-Claude, is de vleesgeworden gewone Fransman. Een hardwerkende boer uit Normandie. Florent-Claude zoekt zijn vriend op en is verbijsterd over de omstandigheden waarin hij leeft. Of liever gezegd: overleeft. Aymeric zit aan de grond. Zijn biologische koeien leveren niks meer op. De melk is door de melkplas niks meer waard. Zijn vrouw heeft hem verlaten voor een pianist en nam ‘op haar vlucht’ de kinderen mee. Houellebecq beschrijft Frankrijk als een onzichtbaar sociaal plan. Een plan dat zonder actie gedoemd is te mislukken. Aymeric en zijn mede-boeren pikken het niet langer, bewapenen zich en trekken ten strijde! Ik zeg: de gele hesjes maar dan nog erger.

De verdwijning

Florent-Claude keert compleet van slag terug naar de stad. Inmiddels heeft hij zo’n hekel aan zijn nieuwste vriendin Yuzu, een Japanse, dat hij haar het ‘liefst van het balkon op de 29ste etage naar beneden zou gooien’ en besluit vervolgens te verdwijnen. Van de een op de andere dag. Hij wist al zijn sporen uit en neemt zijn intrek in een hotelkamer.

Zijn kluizenaarsbestaan maakt het leven er voor Labrouste niet per se makkelijker op. Hij wordt alleen maar cynischer en bozer op de maatschappij. Op deze momenten is Houellebecq op zijn sterkst. In de overpeinzingen van zijn hoofdpersonage. In de kritische blik op het Frankrijk van nu. De troosteloosheid van het bestaan. Het kapitalistisch denken. Hollanders? ‘Een ras van polyglotte opportunistische handelaren.’ Holland? ‘Geen land, hoogstens een bedrijf.’

Houellebecq creëert een pijnlijk en bij tijd en wijlen ook hilarisch beeld van het leven. Zijn personages zitten zo vol met angst, boosheid, verdriet en pijn. En toch weet hij het op een nuchtere manier te brengen.

Lijden. Daar gaat het boek in essentie misschien wel over. Het lijden van een boze, eenzame, seksloze witte man. Mijn kijk op Frankrijk heeft in ieder geval een kleurtje gekregen.

Met Sérotonine heeft Houellebecq inderdaad iets groots weten af te leveren. Toen ik het boek dicht sloeg, begon gelijk het verlangen naar zijn nieuwe roman. Helaas duurt dat nog even. De Nederlandse vertaling van Martin de Haan komt in maart. Maar mocht u behoefte hebben aan een medicijn in de tussentijd, dan raad ik Opperduitsland van Alexander Schimmelbusch aan. Het Duitse antwoord op Houellebecq en ook die belofte wordt meer dan ingelost.

Bob Kappen is boekverkoper bellettrie bij Athenaeum Boekhandel.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum